Rembrandt de leermeester

Al op 22-jarige leeftijd, toen hij nog in Leiden woonde, nam Rembrandt zijn eerste leerlingen aan. Vanaf het moment dat hij in Amsterdam zijn eigen werkplaats begon, werden dat er steeds meer. Vermoedelijk heeft Rembrandt voor ruim vijftig leerlingen de rol van leermeester vervuld. Zijn aanpak in het lesgeven was enerzijds traditioneel, anderzijds uitzonderlijk. Hij leerde zijn leerlingen schilderen volgens de regels van de kunst, maar hij bracht ook zijn eigen regels in. Zijn nieuwsgierige en onderzoekende houding leidde niet alleen tot de voortdurende ontwikkeling en vernieuwingen in zijn eigen werk. Ook in zijn onderwijsmethoden zocht hij steeds naar andere manieren om zijn kennis en technische vaardigheden over te brengen op zijn talentvolle studenten. Methoden waar we tot op de dag van vandaag kunnen leren.

Al tijdens zijn beginperiode in Leiden had Rembrandt enkele leerlingen. In Amsterdam nam het aantal sterk toe, vooral tussen 1640 en 1650, vanaf halverwege zijn dertigste. Aanvankelijk, toen hij net in Amsterdam was, gaf hij les in het huis van de kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh, dat naast het huidige Rembrandthuis lag. Later, toen Rembrandt het aangrenzende pand had gekocht, werden de lessen daar gegeven. De leerlingen hadden een eigen werkplek in de zogenoemde ‘Cleyne Schildercaemer’, waar plaats was voor ongeveer vijf leerlingen tegelijk die vaak werkten met afscheidingen van hout, doek of papier tussen hen in.

leerlingenatelier2

 

 

 

 

 

 

 

 

In Rembrandts atelier liepen drie soorten leerlingen rond. Ten eerste waren er de leerlingen tussen de twaalf en veertien jaar oud, jongens die zelfstandig schilder wilden worden. Als zo’n leerling bij Rembrandt aankwam, had hij meestal al een leerperiode bij een andere meester achter de rug. Ten tweede waren er de assistenten, die na hun opleiding bij Rembrandt aan het atelier verbonden bleven en hielpen bij de instructie en de productie, zoals Ferdinand Bol en Samuel van Hoogstraeten. Het waren schilders die zelfstandig schilderijen maakten in de stijl van de meester, werken waarvan sommige tot op de dag van vandaag doorgaan voor echte Rembrandts. Ten slotte waren er ‘amateurs’, die teken- en schilderlessen volgden als onderdeel van een goede opvoeding en niet hoefden te leven van hun schilderkunst. Schilders als Leendert van Beyeren en Karel van der Pluym behoorden tot deze categorie.

Rembrandt leerde zijn leerlingen schilderen volgens de regels van de kunst, maar hij bracht ook zijn eigen regels in.

Niet iedere leerling leerde hetzelfde bij Rembrandt, dit kon uiteenlopen van verfijnd schilderen tot schilderen met de grove kwast. Wel cultiveerden leerlingen hetgeen ze hadden opgestoken op hun eigen manier. Rembrandts eerste leerling in Leiden, Gerrit (Gerard) Dou (1613-1675), ontwikkelde een uiterst precieze manier van schilderen, terwijl de late leerling in Amsterdam, Aert de Gelder (1645-1727), Rembrandts expressieve verfbehandeling trouw bleef. Lesgeven was een lucratieve bezigheid, Rembrandt ontving van elke leerling ongeveer 100 gulden lesgeld per jaar. Volgens de Duitse kunstenaar en tijdgenoot van Rembrandt Joachim von Sandrart heeft Rembrandt per jaar zo’n 2500 gulden ontvangen aan lesgeld en daarboven stak hij het geld dat hij kreeg bij het verkopen van hun werk ook in eigen zak. Ter vergelijking: een geoefend ambachtsman verdiende in die tijd zo’n 250 gulden per jaar.

Voordat leerlingen naar levend model mochten werken, moesten zij tekeningen, prenten en schilderijen natekenen en naschilderen. Ook zijn eigen schilderijen liet Rembrandt kopiëren. Pas in een laat stadium mochten leerlingen zelf schilderijen maken (ontwerpen en schilderen), die soms door de meester werden gecorrigeerd. Zowel de kopieën naar Rembrandt als ook de door leerlingen zelf opgezette werken werden door Rembrandt verhandeld.

Lees hier meer over zijn leerlingen