Transcriptie 2

Getuigen worden gehoord over de kast van Hendrickje Stoffels, 16-03-1670

Linkerpagina

Op huyden den 16en Marttii A° 1670 compareerden
voor mij Hendrik Rosa, …
Not. public……..Jannetje Vermeulen,
Wedne van Cornelis Cornelisz Bang, oudt
ontrent 52 jaer, wonende op d’Anthonisbredestraet
bij d’Anthonissluys, Meycken
Christoffels, Wed. van Abraham
van den Broeck, oudt 48 jaer,
wonende op de Rosegraft, en Rebecca
Willems, Wede van Paulus Hilbrandts,
wonende int sterffhuys van
Rembrant van Rijn op de Rosegraft,
en hebben ter requisitie van
Abraham Fransz en Christiaen Dusart,
voogden over ’t onmondige kint van Hendrickje
Stoffels, genaemt Cornelia van Rijn, bij
de voorsz. Rembrant van Rijn, geprocreert
by ware woorden .’…..verclaert,
eerst sij eerste deposante
Jannetje Vermeulen alleen, dat haer
noch in goeder memorie en wel bekent is,
dat Hendrickje Stoffels, gewesen moeder van
Cornelia van Rijn gemelt, in den jare 1656 (wesende
gouvernante tot Rembrant van Rijn, doen
ter tyt wonende recht Over haer deposante)
ten huyse van hem Rembrant van Rijn,
in het voorhuys had staende haer halve cas off
kevy, dewelcke soodanigh was gestoffeert van
linnen, wollen, silverwerck als andere goederen,
dat de gemelte casse mette goederen daerin van
de schatsters doen ter tijt wierde geextimeert
op seshondert gulden. Ende alsoo doen ter tijd
de boedel van hem Rembrant van Rijn desolaet
ende onder curatele was, deselve Hendrickje
Stoffels, alsdoen bij eede heeft moeten verclaren,
dat deselve cas met goet haer eijgen was toe
behoorende, sonder dat hij Rembrand eenige portie

 

Rechterpagina
van eygendomme daeraen was hebbende,
ende dat anders de curateur, die over de boedel
gestelt was, deselve casse met al wat daerin
bevonden wiert, mede voor Rembrant’s goet
soude hebben aengetast en geexecuteert.
Gevende sy deposante voor redenen van wetenschap,
dat sij als overbuyr seer familaer
met deselve Hendrickje Stoffels is geweest en
de voorsz. kas mede dickwils heeft sien staen
en mede dikwils met haer Hendrickje Stoffels in de cas gesien en geweest te hebben ende verscheyde van haer Hendrickje’s silvere lepels in de cas alsmede verscheijde gouwe ringen gesien en gehandelt te hebben, met eenigh ander silverwerck, en de cas mede van linnen en wollen wel was gestoffeert. En haer deposante mede door deselve Hendrickje Stoffels verscheyde maelen is verhaelt, dat sy als vooren oock haer eed daerom had moeten doen van dat het haer cas en goet was.
Verclaert sij deposante Rebecca
alleen, dat Rembrant van Rijn gemelt haer
deposante verscheyde maele heeft gesecht
en uyt sijn mont gehoort, dat hij seyde, dat hij
alweer gelt van Cornelias gelt heeft
moeten nemen en belooffde ‘tselve wederom
te geven soo haest als sijn Vader za:
eenighe stucken, die hij onder banden hadde,
gelevert soude hebben. ende dat hij Rembrant
met ’t gelt, dat (hij) van Cornelia’s gelt
affnam, eenige tijt thuys heeft opgehouden.
Ende haer deposante mede beke nt te sijn,
dat sij Cornelia van Rhijn voorsz. een sack met
silvere ducatons in de cas hadde;
ende sij deposante mede gesien te hebben,
dat Magdalena van Loo, wedue van
Titus van Rijn, ’s daegs daeraen, dat de
vader Rembrant van Rijn was overleden,
eenige potstucken gout, bedragende ontrent
de hondert seventich giddens, uyt de sack met silvere ducatons, die in de cas van
Cornelia van Ryn stont, nae haer genomen heeft,
ende sij van Loo seyde, dat het gout (dat sy uyt de sack met silvere ducatons kreegh) haer halff toequam, en de sack met ducatons als doen weder in de cas deed. Verclaeren sij twee laetste deposanten met hun beyden mede verscheyde maelen van hem Rembrant van Rijn selffs

hebben horen bekennen en seggen, dat de cas met al ’t geen daerin was, de voorsz. Cornelia van Rijn alleen toequam, ende ’s daegs naedat hij Rembrandt van Rijn overleden was, en de notaris Steeman aldaer ten sterffhuyse besieh was de kamers en kisten en casten te versegelen, sij deposanten mede bij en present geweest sijn en gehoort en gesien hebben, dat deselve Notaris, wysende op de cas van de voorsz. Cornelia van Rijn, die ten sterffhuyse op de beste camer stont, omme deselve medete versegelen, de voorsz. Magdalena van Loo tegen de notaris seyde’. Neen, die kas niet, die hoort ’t kint Cornelia van Rijn toe, ende met eenen de sleutel van deselve cas aen de requirant Christiaen Dusart overgaff en seyde: Houdaer, bewaer gij de sleutel van de kas voor ’t kint, en deselve req t. deselve sleutel overnam. Gedaen etc.