Transcriptie 1

Rembrandt, Vijfde brief aan Constantijn Huygens, 27 januari 1639

Mijn Heer
Met een sonderlin vermaeck hebbe ick ue
aengenaemen missijve van den 14 deses doorleesen.
Bevinden daer ue goeden gunst ende geneegentheijt
soo dat ick van harten geneegen uwer obblijsier blijven
ue rekumpensijve dienst ende vrienschap te doen.
Soo ist door geneegentheijt tot sulx tegens mijns
heeren begeeren dees bijgaenden douck toesenden
hoopende dat u mijner in deesen niet versmaeden
sult want het is die eersten gedachtenis
die ick aen mijn heer laet.

Mijn heer den ontfanger wttenboogaert is bij
mij geweest soo als ick besich waer dees 2
stuckens te packen. Hij most die noch eerst eens
sien. Die seijden soo het sijn Hoocheijt beliefden
wil mij hier wt sijn kantoor die betaelingen
wel doen. So soude ick aen u mijn heer
versoucken sulx sijn Hoocheijt mij toelecht
van die 2 stuckens dat tsel gelt hier
in den eersten ontfangen mocht
daer ick nu sonderlingen meeden gerijft
souden weesen. Hier op verwachten

[Andere zijde] soot mijn heer heer gelieft bescheijt enden
wenssche ue ende we faemijlij allen
geluck ende Heijl dat neffens
mijne groetenissen.
UE D W ende geaffexcijonerden dienaer Rembrandt
in der Haest deesen 27 Jawarij 1639
[P.S.] Mijn heer hangt dit stuck op een starck licht en dat men daer wuijt ken afstaen soo salt best voncken.