Rembrandt Festival weetjes

  • Tijdgenoot van Rembrandt en zeer belangrijk voor de stad Amsterdam was Hendrick de Keyser, de eind 16e, begin 17e eeuwse stadsbouwmeester. Niet alleen de Zuiderkerk en de Montelbaanstoren, beiden in de buurt van de Jodenbreestraat, zijn door hem ontworpen, en zo ook de Westerkerk, in de Jordaan. De Keyser werd in 1621 zelf in ‘zijn’ Zuiderkerk begraven.
  • De Zuiderkerk was belangrijk voor Rembrandt en zijn vrouw Saskia. Ze begroeven daar hun eerste kindje Rombertus in 1636 en zes jaar later werd zoon Titus er gedoopt.
  • Rembrandt kon niet trouwen met zijn nieuwe liefde; Hendrickje Stoffels, want dan raakte hij het vruchtgebruik van de erfenis van wijlen zijn vrouw Saskia Uylenburg kwijt, dat had zij zo bepaald in haar testament.
  • De Sint Antoniesbreestraat was oorspronkelijk een dijk, de Zuiderzeedijk, als verlengde van de Zeedijk. Bij de stadsuitbreiding eind 16de eeuw kwam de dijk binnen de stad te liggen. Begin 17e eeuw is de bebouwing gekomen. Zowel de huidige Sint Antoniesbreestraat, als de Jodenbreestraat werden ‘Breestraat’ genoemd.
  • Bij Verfmolen de Kat op de Zaanse schans worden nog altijd kleurpigmenten gemaakt zoals Rembrandt die ook heeft gebruikt. Bijvoorbeeld aardepigmenten; van okergeel, gebrande Sienna, rauwe omber, gebrande omber tot Kasselse aarde en Italiaanse groene aarde.
  • De door Rembrandt vereeuwigde Montelbaanstoren is in 1516 gebouwd als vestingstoren die onderdeel vormde van de verdedigingslinie. Na de stadsuitbreiding verloor de toren die functie in 1591.
  • Rembrandt tekende ‘zijn Montelbaanstoren’ in 1644 niet geheel naar de werkelijkheid. De toen al aanwezige nieuwe houten opbouw van stadsbouwmeester Hendrick de Keyser uit 1606 was te modern naar zijn smaak en Rembrandt liet die torenspits weg.
  • ‘Rembrandt’s’ Montelbaanstoren op de Oude Schans werd ook wel Malle Jaap genoemd, als verwijzing naar het spontane en onregelmatige klokkengelui. Was het de verzakking van de toren of toch een geest?
  • Op 30 oktober 1654 werd Cornelia van Rijn, dochter van Rembrandt en zijn liefje Hendrickje, gedoopt in de Oude Kerk. Cornelia werd vernoemd naar Rembrandts moeder.
  • Kunsthandelaar Hendrick Uylenburg – Rembrandt gaf een paar jaar leiding aan diens schilderwerkplaats –  huurde in 1625 het hoekpand op de Jodenbreestraat – Zwanenburgwal. De vorige bewoner was Cornelis van der Voort, een gerenommeerd portretschilder. Van der Voort woonde er met zijn vrouw en zijn oudere broer Hans
  • Saskia Uylenburg was het nichtje van kunsthandelaar Hendrick Uylenburg, Rembrandts eerste werkgever. Saskia kwam uit een welgestelde familie uit Friesland, wijlen haar vader was burgemeester in Leeuwarden.
  • De grootsheid van Rembrandt zit niet alleen in het formaat van zijn werken. Zijn beroemdste landschap heet ‘De drie bomen’ uit 1634. Het is een ets, die niet groter is dan een A4, maar het werk wordt ‘gigantisch in eenvoud en zeggingskracht’ genoemd.
  • De Waag op de Nieuwmarkt was dé ontmoetingsplek voor verschillende gildes, een soort beroepsverenigingen. Rembrandt was lid van het Sint Lucasgilde voor schilders. Boven de rode deur aan de zijkant van het gebouw is de naam van het gilde nog altijd zichtbaar, uitgehakt in steen.
  • In Rembrandts tijd kon je jezelf niet zelfstandig vestigen als je niet lid was van een gilde, een soort beroepsvereniging. Rembrandt was lid van het Sint Lucasgilde voor kunstenaars.
  • Het laatste schilderij van Rembrandt is Het loflied van Simeon uit 1669. Dit werk werd na zijn dood in zijn atelier aangetroffen. Een onvoltooid meesterwerk waarin is ingezoomd op de oude Simeon met de Heiland op zijn armen.
  • De rattengifverkoper was de populairste ets van Rembrandt in de 17e
  • Museum het Rembrandthuis heeft vier originele etsplaten van Rembrandt in de collectie.
  • De onderwerpen van de etsen van Rembrandt zijn zeer divers; van Bijbelse thema’s tot landschappen en van het dagelijks leven tot portretten.
  • Op 5 juli 2018 werd de ets Ecce Homo (Zie de mens) uit 1655 bij Christie’s geveild voor voor 3 miljoen euro.
  • De Kloveniers op De Nachtwacht werden ook wel ‘Klauweniers’ genoemd. In hun wapen stond een hanenpoot. Op subtiele wijze verwees Rembrandt daarnaar op het beroemde schilderij. Het meisje achter Frans Banninck Cocq heeft een vogel ‘aan zijn klauwen’ aan haar ceintuur hangen.
  • Bepaalde onderwerpen bleef Rembrandt steeds opnieuw vastleggen. Zo maakte hij bijvoorbeeld maar liefst zeven prenten van de heilige Hiëronymus, kerkvader en Bijbelvertaler.
  • Rembrandt ging heel ‘modern’ te werk in de laatste fase van zijn leven. Hij schilderde met brede penseelstreken en bracht de verf zelfs met een paletmes op. Hij boetseerde als het ware met de verf, zodat het werk driedimensionaal werd.
  • In de laatste periode van Rembrandts leven schilderde hij monumentale ‘half figuren’. Hij schilderde alleen het hoofd en bovenlijf, bijna als een close up. Er was geen ruimte meer voor ‘bijwerk’, alle aandacht ging uit naar die ene persoon, bijvoorbeeld de Heilige Lucretia of de oude Simeon.
  • Rembrandts zoon Titus is vernoemd naar de zuster van zijn vrouw Saskia: Titia Uylenburg.
  • In de Gouden Eeuw had men soms een vriendenboekje; een ‘album amoricum’. De eigenaar van zo’n vriendenboekje vroeg dan aan kennissen, kunstenaars en dichters iets te schrijven of tekenen in zo’n boekje. In het boekje van beschermheer en goede vriend Jan Six, tekende Rembrandt Minerva in haar studeervertrek.
  • Met de teksten ‘Tis vinnich kout’ en ‘Dats niet’ op twee etsen, liet Rembrandt twee boeren het weer becommentariëren. Een heel alledaagse scène uit 1634, mét humor.
  • De anatomische les van Dr. Deijman uit 1656 is grotendeels door brand verwoest. Maar op het overgebleven fragment zie je goed Rembrandts radicaal andere benadering van weergeven dan 24 jaar daarvoor, toen hij De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp schilderde. Dit keer kijk je tussen de voetzolen van het lijk door, zo de leegte van de buikholte in. (De dokter staat op het punt een hersensectie te verrichten.)
  • Rembrandt maakte wel 2000 tekeningen. Van heel gedetailleerd en uitgewerkt tot losse ruwe schetsen, Rembrandt tekende studies voor een ets of schilderij, maar hij maakte ook ‘autonome’ tekeningen.
  • Arnold Houbraken is een van Rembrandts biografen. In zijn boek De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen uit 1718 beschreef hij onder meer de anekdote dat Rembrandt mensen verbood om te dicht op zijn (latere) werk te staan. ‘De reuk van de verf zou u verveelen’.
  • Van jong kunstenaarstalent tot volleerd meester, aan de hand van de zelfportretten zie je Rembrandt zich ontwikkelen en ontplooien én – immer nieuwsgierig – ouder worden.
  • In 1634 schilderde Rembrandt het welgestelde echtpaar Marten Soolmans en Oopjen Coppit. De twee schilderijen van ruim twee meter hoog, waarop zij levensgroot en ten voeten uit zijn afgebeeld, waren 400 jaar privébezit. In 2016 heeft Nederland samen met Frankrijk de portretten verworven voor 160 miljoen euro.
  • Wie staan er op het schilderij Het Joodse bruidje uit 1665? Tegenwoordig wordt gedacht dat het om de bijbelse figuren Isaak en Rebekka gaat. In de 19e eeuw werd echter gedacht dat het een vader was die z’n dochter, de aanstaande (Joodse) bruid begeleidde.
  • Begin 19e eeuw is De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp voor 32.000 gulden gekocht door Koning Willem I. Het schilderij ging daardoor deel uitmaken van de collectie van het Koninklijk Kabinet der Schilderkunst, beter bekend als het Mauritshuis in Den Haag.
  • Rembrandt maakte speels gebruik van handschoenen in zijn portretten. Een gevallen handschoen of juist iemand die een handschoen oppakt, het vasthouden van beide handschoenen, er een aantrekken of juist uitdoen. Dit soort handelingen gaven de suggestie van een beweging aan zijn werk.
  • In Amsterdam leerde Rembrandt Saskia Uylenburg kennen. Zij was het nichtje van kunsthandelaar en Rembrandts werkgever, Hendrick Uylenburg. De liefde tussen Rembrandt en Saskia werd bezegeld met een huwelijk dat in de zomer van 1634 in Sint-Annaparochie in Friesland twerd voltrokken.
  • Rembrandt en Saskia waren al vijf jaar getrouwd, toen zij in 1639 hun intrek namen op de Jodenbreestraat. Een modern, ruim, huis uit 1606 – Rembrandts geboortejaar – waar wonen, werken, handel en les geven allemaal samenkwam.
  • Aan het einde van Rembrandts Jodenbreestraat staat de Mozes en Aäronkerk (uit 1841). De kerk is gewijd aan de heilige Antonius van Padua, maar is bekend onder de oude naam van de twee huizen die in de 17e eeuw op deze plek stonden ‘Moyses’ en ‘Aäron’.
  • Het Leprozenhuis (het Sint Anthonius gasthuis) stond in Rembrandts tijd ter hoogte van het huidige Mr. Visserplein. De melaatsen, mensen met lepra, werden altijd aan de rand van de stad gehuisvest. Het Leprozenhuis had ook een aantal burgerwoningen op de Jodenbreestraat, tegenover de Mozes en Aaronkerk. Hier woonden verschillende kunstenaars.
  • Er zijn een aantal werken van Rembrandt waarbij een visuele beperking een rol speelt. Het verblinden van Simson, de eenogige Claudius Civilis, maar ook de blinde apostel, Tobias, Homerus en Simeon – het is alsof ‘de ziener’ Rembrandt elke keer weer gefascineerd werd door de (half)blinde mens.
  • Er was geen geld voor Rembrandts begrafenis. Hij belandde in een huurgraf in de Westerkerk. De plaats van het graf is onbekend. Ter ere van zijn driehonderdste geboortedag is er in 1906 een gedenkteken in de kerk geplaatst.
  • Het kleurenpalet van Rembrandt bestond uit (slechts !) twaalf pigmenten. Bij restauratieonderzoek van het schilderij Suzanna in het Mauritshuis, is recent nog een dertiende pigment ontdekt: het grijsblauwe vivianiet.
  • Rembrandt gebruikte veelal goedkope kleurpigmenten. Voor blauwe verf gebruikte hij nooit het dure lapus lazuli, maar altijd het mineraal azuriet en smalt; gestampt kobaltglas en zand.
  • De ‘ƒ’die voor een jaartal en na Rembrandts naam staat, is de afkorting van het Latijnse fecit. ‘Rembrandt fecit 1635’ betekent dat Rembrandt het werk heeft gemaakt in 1635.
  • Het schutterstuk De Nachtwacht was opzienbarend in die tijd, omdat het gebruik was om op zulke schilderijen iedereen even groot af te beelden. Rembrandt brak volledig met die traditie vanwege zijn vernieuwende compositie en extreme licht-donker contrasten, waardoor lang niet iedereen ‘in the spotlight’ stond.
  • Tot op de dag van vandaag wordt onderzoek gedaan naar Rembrandts werk. Hedendaagse onderzoeksmethoden met geavanceerde röntgen- en scantechnieken maken het mogelijk voor restauratoren, onderzoekers en kunsthistorici om nog meer te ontdekken over zijn werkwijze, techniek en verfgebruik.
  • Loodwit was een veel gebruikt kleurpigment in Rembrandts tijd. Het poeder ontstaat door de chemische reactie die ontstaat als opgerolde repen lood boven azijnzuur worden geplaatst in aardewerk potten. Die potten werden afgedekt met paardenmest, zodat het ging broeien en zich daardoor wit poeder vormde op de repen lood.
  • (Röntgenstralen kaatsen af op loodwit, daardoor is bij onderzoek goed te zien, of er nog onderschilderingen zijn onder het uiteindelijke kunstwerk.)
  • Als een paneel of doek was geprepareerd ging Rembrandt met bruine verf (op hout) of met grijze verf (op doek) de voorstelling opzetten. Dit wordt ‘doodverven’ genoemd. In grote lijnen gaf Rembrandt de scene weer en bepaalde waar de donkere en lichte partijen moesten komen.
  • Aan het begin van Rembrandts carrière in Leiden werkte hij vaak op kleine panelen van bijvoorbeeld eikenhout. Het paneel werd egaal geschuurd en kreeg daarna een grondlaag van krijt en lijm. Daarop werd een dun laagje loodwit of okergele verf aangebracht. Dan moest het echte werk nog beginnen.
  • Een plassende man of poepende vrouw, Rembrandt vond niet gauw een onderwerp ‘te min’. Ook deze alledaagse zaken liet hij terugkomen in zijn etsen.
  • De veelzijdige Rembrandt was bovenal een eigenwijze kunstenaar. Hij volgde zijn eigen weg, los van de heersende stijl of traditie. Zo koos hij ook andere Bijbelse voorstellingen, verhalen die minder bekend waren, dan historieschilders in zijn tijd deden.
  • Er zijn zeven brieven van Rembrandt aan Constantijn Huygens bewaard gebleven. Deze correspondentie met de secretaris van prins van Oranje en stadhouder Frederik Hendrik ging over de Passie serie. Een serie schilderijen die door de Prins van Oranje bij de kunstenaar was besteld in de periode 1632-1646.
  • Voor prins van Oranje en stadhouder Frederik Hendrik schilderde Rembrandt zeven werken over het leven van Christus. Zes van de overgebleven schilderijen zijn tegenwoordig te zien in de Alte Pinakothek in München.
  • De olifant op de prachtige krijttekening van Rembrandt uit 1637 heette Hansken. Rembrandt heeft deze Indische olifant gezien in Amsterdam. Gewoon om de hoek van zijn huis, bij de kermis op de Botermarkt, het huidige Rembrandtplein.
  • Op de geschilderde zelfportretten van Rembrandt zie je feitelijk het spiegelbeeld van de kunstenaar. Alleen op geëtste zelfportretten is het spiegelbeeld weer ontspiegeld, door de afdruk op papier.
  • Rembrandt heeft in 1640 de portretten geschilderd van meubelmaker en ivoorsnijder Herman Doomer en zijn vrouw Baertje Martens. In 1613 vestigde Doomer zich in Amsterdam, waar hij zich bekwaamde in het maken van schilderijlijsten van ebbenhout. Hun zoon is rond 1644 bij Rembrandt in de leer gegaan.
  • Soms was er na een dag schilderen in Rembrandts atelier nog verf over. De leerlingen bewaarden deze resten luchtdicht in varkensblazen.
  • De eerste Engelse oorlog zorgde voor een economische depressie in 1654 in het welvarende Amsterdam. De cashflow stagneerde op grote schaal. Dat was een van de redenen waarom verschillende schuldeisers tegelijkertijd aanklopten bij Rembrandt. Dit leidde uiteindelijk tot het faillissement van de kunstenaar in 1656.
  • Verstopt! Rembrandt heeft zichzelf nog wel eens stiekem afgebeeld in historiestukken. In de 17e eeuw kwamen kleine verstopte zelfportretten wel vaker voor in dit type schilderijen.
  • De Siciliaanse edelman Antonio Ruffo moest ƒ 500,= (gulden) betalen voor het schilderij Aristoteles met de buste van Homerus uit 1653. Hoewel hij dat een vermogen vond, bestelde hij later nog twee werken bij Rembrandt; een portret van Alexander de Grote en een van Homerus. Ruffo was Rembrandts eerste buitenlandse opdrachtgever.
  • Rembrandt schilderde ook wel eens een trompe l’oeil, een ‘bedriegertje’. In 1646 schilderde hij een interieur met de Heilige Familie mét een opzij geschoven gordijntje. Op afstand lijkt het net echt, alsof het gordijn aan het schilderij vastzit.
  • Christus geneest de zieken is de bekendste ets van Rembrandt. Dit werk is beter bekend onder de bijnaam de Honderguldenprent. Het was zo’n gewilde ets, dat het verhaal in de 19e eeuw ging, dat Rembrandt zelf ƒ 100,= (gulden) moest betalen om nog een exemplaar te bemachtigen.
  • Het oude stadhuis op de Dam werd door brand verwoest op 7 juli 1652. Rembrandt, die over het algemeen geen stadsgezichten tekende, maakte een uitzondering voor de ruïne van het stadhuis.
  • Etspapier moet vochtig worden gemaakt, voordat het door de etspers gaat.
    Na het afdrukken van de etsplaat, werden de prenten – ook in Rembrandts atelier – te drogen gehangen aan een waslijn.
  • In de zomer van 1663 was er een grote pestepidemie, die vooral de dicht bewoonde Jordaan trof, waar Rembrandt inmiddels woonde. Rembrandts geliefde Hendrickje Stoffels moest er ook aan geloven. (Op 24 juli 1663 werd ze in de Westerkerk begraven. )
  • De onheilspellende boodschap ‘mene mene tekel ufarsin’ staat centraal in Rembrandts schilderij Het feestmaal van Belsazar uit 1635. Deze Hebreeuwse vooraankondiging van de inval van de Perzen en de dood van Belsazar uit de Bijbel is hier letterlijk ‘een teken aan de wand’.
  • In de tijd dat Rembrandt in de Jodenbreestraat voor kunsthandelaar Hendrick Uylenburg werkte, heeft hij ruim 65 portretten geschilderd.
  • Als lid van een gilde kreeg je een lidmaatschapspenning en een begrafenispenning. Bij een begrafenis van iemand van jouw gilde, leverde je de penning in, als blijk van je aanwezigheid. Op de begrafenispenning van Rembrandt staat: het jaartal 1634, Rembrant en de letter s, verwijzend naar zijn beroep van schilder.
  • Het was alleen voor ‘poorters’, geregistreerde burgers van een stad, mogelijk om lid te worden van een gilde. Aangezien Rembrandt uit Leiden kwam, moest hij eerst poorter worden in Amsterdam, voordat hij de burgerrechten van Amsterdam verkreeg.
  • (De joodse gemeenschap was uitgesloten van poorterschap. Dat betekende dat zij ook niet toegelaten werden tot de gilden. Voor de handel en diamantverkoop was het niet nodig om lid te zijn van een gilde; dat bood joodse inwoners van Amsterdam kansen op handel en werk. In Rembrandts tijd woonden er veel joodse zakenmannen in de buurt.)
  • In Leiden schilderde Rembrandt in 1624 de zintuigenserie: Gehoor, Gevoel, Zicht, Reuk en Smaak. In 2015 werd het werk Reuk herontdekt en ter veiling gebracht. Verzamelaar Thomas Kaplan kocht het paneeltje, in aanvulling op Gehoor en Gevoel die hij reeds bezat. Het paneeltje Zicht bevindt zich in de collectie van De Lakenhal in Leiden. Smaak is nog altijd spoorloos.
  • Rembrandt noemde zijn dochters steeds Cornelia. De eerste twee Cornelia’s kreeg hij met zijn vrouw Saskia, maar beide meisjes werden niet ouder dan een paar weken. Zijn latere liefde Hendrickje Stoffels baarde een gezonde Cornelia, die daarmee de naam van de moeder van Rembrandt liet voortleven.
  • Uit de boedelverkoop van zijn vaders inventaris in 1658, heeft Rembrandts zoon Titus geprobeerd een grote spiegel terug te kopen. Dat lukte ook, alleen brak de spiegel onderweg naar huis.
  • De werken van de jonge Rembrandt, uit zijn Leidse periode (van 1625-1631) zijn klein van formaat, vaak op paneel geschilderd, met een kleurrijk palet en een fijne penseeltoets.
  • Bij zijn komst naar Amsterdam zette de 26 jarige Rembrandt al gauw de toon met het vernieuwende groepsportret De anatomische les van Dr. Tulp (uit 1632).
  • Vanaf 1636 werkte Rembrandt als zelfstandig kunstenaar met een eigen atelier en leerlingen. In de fase 1636-1642 schilderde hij grote historiestukken, portretten en zijn grootse meesterwerk: de Nachtwacht.
  • Na de dood van zijn geliefde vrouw Saskia en de afronding van De Nachtwacht belandde Rembrandt in een nieuwe fase. Kenmerkend voor zijn werk (tussen 1643-1658) is dat de grote meester zoekende is in onderwerpkeuze en techniek. (Zijn financiële wanorde leidde tot zijn faillissement in 1656.)
  • Met ‘een late Rembrandt’ wordt gerefereerd aan zijn werk uit de periode 1658-1669. Rembrandt gebruikte toen een sober kleurenpalet, zijn techniek werd grof en ruw, waarmee hij met verf beweging en driedimensionaliteit creëerde.
  • Vanaf 1650 kwamen er steeds minder leerlingen bij Rembrandt in de leer. Het was een tijd waarin een heldere en gladde schilderstijl in de mode raakte. Rembrandt was wars van deze classicistische stijl en verdiepte zich vooral in zijn eigen ruwe manier van werken.
  • Na een openbare executie op de Dam werd Elsje Christiaens op het galgenveld in Volewijk aan een paal gehangen om ‘van de locht en ’t gevogelte verteerd te worden.’ De 18 jarige dienstbode had met een bijl haar bazin vermoord. Rembrandt ging met een bootje over het IJ naar het galgenveld en maakte daar twee tekeningen van Elsje die daar hing, vastgebonden aan een paal.
  • Waar sommige Bijbelse onderwerpen door Rembrandt groots en meeslepend werden afgebeeld, zoals Het offer van Abraham, zo intiem en huiselijk schilderde hij tweemaal de Heilige Familie.
  • Rembrandt gaf een schilderij cadeau aan Constantijn Huygens (in januari 1639). In een begeleidende brief adviseerde Rembrandt hem om het ‘op starck licht’ te hangen en dan van enige afstand te bekijken, zodat het zou ‘voncken’. Huygens wilde niets van het cadeau weten. (waarom niet…?)
  • Het ‘Rembrandt Research Project’ heeft in de periode 1968 – 2014 onderzoek gedaan naar het geschilderde oeuvre van Rembrandt. Ernst van de Wetering was sinds 1993 voorzitter van de projectgroep. Het project werd eind 2014 afgesloten met het zesde deel van A Corpus of Rembrandt Paintings.
  • Het lijdt geen twijfel, Gerard de Lairesse was geen woest aantrekkelijke man. Het gezicht van de Vlaamse schilder was door syfilis behoorlijk aangetast. Rembrandts portret van De Lairesse uit 1665 is mooi in al zijn lelijkheid.
  • Saskia was zelf niet aanwezig bij het tekenen van de ondertrouwakte in de Oude kerk in 1633. Haar aangetrouwde neef, predikant Jan Cornelis Sylvius tekende uit haar naam.
  • In Rembrandts tijd was het ’s avonds aardedonker. Je moest je weg met een lantaarntje zoeken.
  • ‘Het verhaal van Batsheba’ gaf aanleiding om een naakte vrouw te schilderen. Rembrandt schilderde haar levensgroot (in 1654). In haar hand heeft Batsheba de brief van David, waarin hij haar vraagt naar zijn paleis te komen. De twijfel is van haar gezicht af te lezen.
  • ‘Saskia in de bedstee’ is een huiselijk tafereel dat regelmatig terugkomt in tekeningen en schilderijen van Rembrandt. In de slaapkamer brandde de haard en was het aangenaam toeven. Hoe klein zo’n bedstee eigenlijk is, is goed te zien in Museum Het Rembrandthuis.
  • (In de stad Amsterdam vonden eind 16e en begin 17e eeuw verschillende stadsuitbreidingen plaats. Zo’n uitbreiding werd ‘uitleg’ genoemd.)
  • Saskia Uylenburg behield haar eigen familienaam, nadat ze met Rembrandt trouwde. Haar zoon Titus kreeg wel de achternaam van vader Van Rijn.
  • Hoewel Rembrandt verschillende keren naakte vrouwen heeft getekend en geëtst, zijn Danaë en Batsheba de enige twee geschilderde naakten.
  • Jan Cornelis Sylvius was getrouwd met Aeltje Uylenburg, de nicht van Saskia, Rembrandts vrouw. Sylvius was predikant in de Oude Kerk van Amsterdam. Rembrandt maakte van deze ‘familievriend’ Sylvius een schilderij, meerdere schetsen en twee portretetsen.
  • In Rembrandts tijd was er al een Blauwbrug over de Amstel. Vlakbij zijn eigen huis schilderde hij vanaf deze – destijds houten wipbrug – het weidse uitzicht over het water.
  • Rembrandt bezat een tekeningenboek met 17e eeuwse miniaturen van Hindoestaanse kunstenaars uit het Mogolrijk. Op Japans papier maakte Rembrandt omstreeks 1656 kopieën van deze ‘curieuse minijateurteeckeninge’.
  • Eenvoud en nederigheid waren kenmerkend voor Franciscaner monniken. Rembrandt heeft als geen ander deze levensovertuiging gevat in het ingetogen portret uit 1660: Rembrandts zoon Titus in monniksdracht.
  • Op 3 januari 1638 werd op de Keizersgracht de eerste schouwburg van de stad Amsterdam in gebruik genomen. Op het programma stond de première van de Gijsbrecht van Amstel van Joost van den Vondel. Rembrandt heeft in die periode verschillende tekeningen gemaakt van toneelspelers.
  • In 1648, het jaar van de Vrede van Münster, begon de bouw van het nieuwe stadhuis op de Dam. Architect Jacob van Campen ontwierp een classicistisch gebouw, dat de grote welvaart van de stad verbeeldde. Oud-leerlingen van Rembrandt, zoals Govert Flinck en Ferdinand Bol kregen opdrachten om werken te maken voor het nieuwe stadhuis.
  • Het was ongekend hoe Rembrandt Adam en Eva (in 1638) weergaf in zijn ets De zondeval van Adam en Eva:nakend in heel hun wezen en zijn’. Rembrandt heeft – onverbloemd en frontaal – Eva met haar appeltje afgebeeld.
  • De doop van de Kamerling (uit 1626) werd in 1976 ontdekt in een privéverzameling. De eigenaresse had geen idee een werk van Rembrandt te bezitten. Dit kleurrijke werk uit de Leidse periode van Rembrandt is verworven door Museum Catharijneconvent in Utrecht.
  • Verschrikt kijkt de naakte Suzanna naar de toeschouwer. Ze heeft net ontdekt dat ze wordt bespied door de ouderlingen, terwijl zij in de tuin een bad neemt. De paneelschildering Suzanna en de ouderlingen van Rembrandt (uit 1636), is een soort ‘kijken en bekeken’ worden op zijn 17e
  • Karmijnrood is een van de kleuren die Rembrandt veel gebruikte. Hij maakte de kleur met het pigment cochenille. Deze natuurlijke kleurstof is van kermesluizen gemaakt.
  • Zachtjes loopt de vrouw het water in, ze trekt haar witte onderjurk behoedzaam omhoog… Vol gevoel schilderde Rembrandt deze scène in De Badende vrouw (in 1655).
  • Met eenvoudige penseelstreken legde Rembrandt de focus op het witte gewaad, dat al het licht absorbeert.
  • Restaurator Michel van de Laar (Rijksmuseum) ontdekte bij de restauratie van het paneel Jeremia (uit 1630) een haar van Rembrandt in de verf van de mantel van Jeremia.
  • Rembrandt was rechtshandig, tenminste, dat zegt Rembrandtkenner bij uitstek:
    Ernst van de Wetering. Er zijn er ook die anders beweren.
  • In Amsterdam zijn er, naast het Rembrandtplein, ook het Rembrandtpark en er is ook een toren vernoemd naar de grote Hollandse Meester: De Rembrandttoren, ter hoogte van het Amstelstation. Het is de hoogste toren van de stad.
  • De Griekse Goden vonden Ganymedes ‘de mooiste van de stervelingen’ en zij wilden hem graag bij zich hebben op de berg Olympus. Op het schilderij De Roof van Ganymedes (uit 1635) is die schoonheid echter ver te zoeken. Rembrandt verbeeldde juist de pure wanhoop van het kind. Al huilend en plassend van angst wordt Ganymedes door de grote adelaar meegenomen.
  • Behalve kwasten, penselen, paletmes en schilderspalet, behoorde ook een schilderstok tot de standaarduitrusting van Rembrandt. Op deze stok, waarop een zacht bolletje zat, kon de schilder zijn hand laten rusten.
  • In 1883 werd de Vereniging Rembrandt opgericht. De eerste aankoop van deze groep Amsterdamse kunstliefhebbers, was destijds de collectie tekeningen van Jacob de Vos, die onder meer een paar prachtige exemplaren van Rembrandt bevatte. (Ruim 135 jaar later is de Vereniging nog altijd een belangrijke partner voor musea bij kunstaankopen.)
  • De naam van de Warmoestraat, achter de Oude Kerk staat voor ‘warme moes’. In de tijd van Rembrandt werden groenten niet rauw gegeten, dat zou maar ongezond zijn. De warme groenten werden bij de soepkar verkocht.
  • Wat nog altijd tot de verbeelding spreekt, is de wijze waarop Rembrandt zijn kleuren opbouwde. De onderliggende verflagen spelen een grote rol bij de ervaring van de uiteindelijke kleur. De sleutel voor een realistische witte huidskleur is bijvoorbeeld de onderliggende grijze verflaag.
  • Zwarte mensen hebben zelden een hoofdrol in de 17e eeuwse kunst. Vaak werden ze als bediende van een welgestelde man of vrouw, als bijwerk geschilderd. Zo niet Rembrandts schilderij Twee zwarte mannen uit 1661. Het is een zelfstandig portret van twee mannen, dun geschilderd, maar vol detaillering in de gezichten.
  • Grote, in Amsterdam gebouwde schepen, werden eerst (ongeladen) met kleine boten versleept over de Zuiderzee. Bij Texel kregen de schepen dan pas hun lading aan boord. Uit documentatie blijkt dat ook Rembrandts schilderij Aristoteles met het hoofd van Homerus, dat werd besteld door de Siciliaanse edelman Antonio Ruffo, op Texel werd ingeladen.
  • Rembrandt schilderde met verschillende soorten penselen, soms gemaakt van varkenshaar. Het is belangrijk dat de haartjes van staart, rug of oren allemaal met de puntjes dezelfde kant op worden verzameld. De haren en de steel worden met een zogeheten bus aan elkaar vastgezet. Dat is nu niet anders dan in Rembrandts tijd.
  • Neeltgen Willemsdochter van Zuytbroeck trouwde in 1589 met Harmen Gerritz. van Rijn. In 1606 kreeg zij op 38 jarige leeftijd baby Rembrandt Harmenszoon van Rijn.
  • Een van Rembrandts talentvolle leerlingen was Nicolaes Maes uit Dordrecht. Hij werkte tot 1660 in de stijl van Rembrandt met sterke licht-donker contrasten. Later legde Maes zich toe op de portretschilderkunst en ging mee in de heersende stijl; glad geschilderd, veel detaillering en een kleurrijk palet.
  • Vanaf juli 2019 zal Rembrandts meesterwerk De Nachtwacht in het Rijksmuseum, op zaal, worden onderzocht en gerestaureerd. Voor het grootschalige onderzoek zullen de meest geavanceerde methoden gebruikt worden. Het onderzoek zal ook online te volgen zijn.
  • Het Bijbelse verhaal van Jeremia treurend over de verwoesting van Jeruzalem heeft Rembrandt samengevat in één veelzeggend beeld. Tussen de brandende stad op de achtergrond en de bescheiden figuur Jeremia op de voorgrond is er leegte, waarin de omvang van het drama zich ontvouwt. Op en top dramatiek.
  • De ondernemer Rembrandt, lijkt zijn risico’s bewust te hebben afgedekt. Het feit dat Titus, amper 14 jaar, een testament liet opmaken, is curieus te noemen. Zo werd in elk geval voorkomen dat de familie van Saskia Uylenburg, Titus’ overleden moeder, enige aanspraak kon maken op de erfenis.
  • In Rembrandts tijd bestond het Waterlooplein nog niet. Destijds liep daar de 17e eeuwse Houtgracht, parallel aan de Jodenbreestraat. Eind 19e eeuw werd de gracht gedempt en ontstond pas het huidige Waterlooplein.
  • De Omval was een schiereiland in de Amstel, ter hoogte van het huidige Amstelstation. Het was een favoriet uitje van Rembrandt om in deze landelijke omgeving te tekenen.
  • In De terugkeer van de Verloren zoon uit 1668-1669 benadrukte Rembrandt de elementen hoop, vertrouwen en vergeving van de vader. In deze enscenering staan de omstanders – de oudste zoon en de bedienden – in de schaduw. Zij hebben letterlijk een andere houding ten opzichte van de ‘verlichte’ verloren zoon.
  • In Amsterdam werden lichamen van misdadigers beschikbaar gesteld aan de wetenschap. Het lijk van De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp was Aris Kindt. ‘Het Kindt’ was eerder die dag wegens diefstal er dood gebracht middels ophanging aan de galg.
  • Bij recent onderzoek van TU Delft en het Rijksmuseum naar de impastotechniek (een schildertechniek waarbij verf in zeer dikke streken of klodders wordt aangebracht; impasto betekent: onbewerkte gebakken klei) van Rembrandt is het ‘geheime’ ingrediënt plumbonacriet ontdekt. Dit loodmineraal zorgde voor de verdikking van zijn verf.
  • De kunsthandelaar Jan Six is een nazaat van de met Rembrandt bevriende regent Jan Six. In 2018 publiceerde de kunsthistoricus Rembrandts portret van een jonge man naar aanleiding van zijn vondst van dit portret.
  • Het late Zelfportret met cirkels is een werk dat de gemoederen nog steeds bezig houdt. Rembrandt schilderde zichzelf als half figuur in het centrum van het vlak. Links en rechts van zijn vertrouwde gezicht, inmiddels met witgrijze krullen, zijn twee delen van cirkels op de grijze achtergrond te zien. Wat de betekenis is van deze geometrische toevoeging is velen een raadsel.
  • (De vele pestepidemieën in de stad zorgden ook voor een groeiend aantal burgerwezen. Deze wezen werden in de tweede helft van de 17e eeuw opgevangen in het weeshuis in de Kalverstraat, het huidige Amsterdam museum. )
  • Abraham Bredius (1855-1946) was verzamelaar, Rembrandtkenner en directeur van het Mauritshuis in Den Haag. Voor Bredius was de waarneming de belangrijkste graadmeter bij een toeschrijving van een werk aan Rembrandt. Technologische onderzoeken hebben door de jaren heen tot voortschrijdend inzicht geleid. Niet alle werken die Bredius voor een Rembrandt hield, waren ook daadwerkelijk van de meester.
  • (Welgestelde Amsterdammers gingen in de tweede helft van de 17e eeuw in ‘de gouden bocht’ wonen. Het gedeelte van de Herengracht tussen de Leidsestraat en de Vijzelstraat. Op dubbele percelen werden hier in classicistische stijl de mooiste en grootste huizen van de stad gebouwd.)
  • In Rembrandts tijd lagen schepen geregeld ‘voor Pampus’. Deze zandbank in het IJ – toen nog een zeearm van de Zuiderzee en de gebruikelijke route van en naar de Noordzee – zorgde ervoor dat grote schepen op vloed moesten wachten, voordat ze verder konden varen.
  • (In de 17e eeuw werden de grote schepen ‘uit de Oost’ met drijvers – zogenoemde scheepskamelen – de haven van Amsterdam binnen gebracht. )
  • Vijftig jaar geleden werd ter ere van Rembrandts 300e sterftjaar bij de oude Riekermolen, vlabij bij de Kalfjeslaan aan de Amstel, een standbeeld van Rembrandt onthuld. Rembrandt maakte vele tekeningen van de Riekermolen, destijds gevestigd in de Riekerpolder.
  • Welgestelde Amerikanen gingen in de 19e eeuw Hollandse schilderkunst uit de Gouden Eeuw verzamelen. In het Metropolitan Museum in New York is dit Rembrandtjaar In Praise of Painting te zien. Een tentoonstelling die is samengesteld uit 67 werken van Rembrandt en zijn kompanen uit de 17e eeuw, allen Amerikaans bezit.
  • Rembrandt gebruikte voor bijzondere tekeningen en voor de eerste afdruk van een ets vaak Japanse papiersoorten. Onderzoek wijst uit dat dit kostbare en bijzondere papier uit de Japanse regio Echizen komt.
  • Jan van de Capelle was marineschilder in de 17e Hij kocht zowel in 1656 als in 1658 werken uit de boeldelverkoop van Rembrandt. Van de Capelle bezat maar liefst zeven schilderijen van Rembrandt en vijf portfolio’s met ruim 500 van zijn tekeningen.
  • Het schilderij Saul en David werd in 1898 door Abraham Bredius gekocht als een Rembrandt. In 1969 werd deze toeschrijving ingetrokken. In 2015 is na acht jaar onderzoek en restauratie door het Mauritshuis het werk toch weer aan Rembrandt toegeschreven. De conclusie is dat het werk in twee fasen door de meester zelf is geschilderd, de eerste rond 1650 en de tweede in hetzelfde decennium.
  • Rembrandts goede vriend Jan Six was getrouwd met de dochter van Dr. Nicolaes Tulp, bekend van Rembrandts fenomenale schilderij van de anatomische les.
  • Rembrandt tekende met verschillende materialen. Hij gebruikte zowel een (riet)pen of penseel met bruine of grijze inkt, maar ook rood en zwart krijt. Na 1640 zijn rode krijttekeningen van zijn hand een zeldzaamheid.
  • Rembrandt maakte verschillende soorten portretten: levensgroot, staand, zittend of alleen het hoofd of het borststuk, al dan niet met handen. De levensgrote portretten ten voeten uit waren de duurste categorie, alleen de superrijken, zoals ‘Maarten & Oopjen’ konden dat betalen.
  • Het Bruggetje van Six op de ets uit 1645, bevindt zich in de buurt van de buitenplaats Kostverloren aan de Amstel. In de 18e eeuw werd gedacht dat Rembrandt de ets bij het landgoed van Jan Six in Hillegom maakte. Het is een van de meest spontane landschapsetsen van Rembrandt.
  • Rembrandt liet in Leiden en in zijn beginperiode in Amsterdam reproductieprenten van zijn schilderijen maken door Jan van Vliet. Deze prenten waren bedoeld om Rembrandts kunsten ‘te etaleren’ voor potentiële opdrachtgevers. Ze dienden ook als studiemateriaal voor zijn leerlingen.
  • In de tijd van Rembrandt voeren de schepen met hun vracht via een rak – een rechte vaart – naar de Dam. Vandaar de naam Damrak.
  • Rembrandt ontleende veel scènes uit het apocriefe (van het Oude Testament, maar niet als ‘Gods woord’ beschouwde) boek Tobit of Tobias. Van Tobias en de vis, Tobit, Anna en het bokje tot De genezing van Tobit – met veel overtuiging schetste, schilderde en tekende Rembrandt kenmerkende momenten van ongeloof, vertrouwen en genezing uit Tobit.
  • Rembrandt maakte zijn eerste kunstenaarsportret (een ets) van de schilder Jan Asselijn in 1647. Broer Thomas Asselijn, schrijver en dichter, werd een goede vriend van Rembrandt. In tijden van financiële nood stond Thomas de kunstenaar bij.
  • Zo specifiek als Rembrandt was in zijn ordening van figuren in zijn werken, zo precies was hij ook in het bewaren van zijn tekeningen. Hij sorteerde zijn vele tekeningen per onderwerp in een portfolio.
  • Waar in het werk van de Utrechtse Caravaggisten een kaars vaak de directe en zichtbare lichtbron is voor het licht-donker contrast, zie je in Rembrandts werk nooit de precieze lichtbron in beeld. Alle aandacht is bij Rembrandt gericht op het doel, niet op het middel.
  • (In 1637 werd de eerste officiële Nederlandse vertaling van de Bijbel in Leiden gedrukt, de zogenoemde Statenbijbel of Statenvertaling. )
  • Hoe verbeeldt een realist als Rembrandt een boodschapper van God? Hij schuwde het onderwerp in ieder geval niet. Er zijn veel scènes, waarin de engel als sleutelfiguur fungeert. Zoals de engel die Abraham weerhoudt zijn zoon te offeren of engel Raphaël die Tobits familie verlaat. Rembrandt benaderde de dynamische kracht van de boodschappers met wijde gevederde vleugels.
  • De eerste grote Rembrandt tentoonstelling werd in 1898 georganiseerd in het Stedelijk Museum in Amsterdam ter ere van de inhuldiging van Koningin Wilhelmina.
  • Frits Lugt (1884-1970) was een van de Rembrandtkenners van het eerste uur. Hij begon op zijn 12e aan een handgeschreven biografie over Rembrandt. Lugt ontwikkelde zich als connaisseur en verzamelaar. In 1898 kocht hij zijn eerste Rembrandt, een ets. De omvangrijke prentenverzameling van Lugt is onder gebracht in Fondation Custudia in Parijs.
  • Christus in de storm op het meer van Galilea uit 1633 is het enige zeestuk, dat Rembrandt maakte. In 1990 werd dit werk tezamen met 11 andere werken uit de collectie van het Isabella Stewert Gardner Museum in Boston geroofd. De roof is tot op heden onopgelost; in het museum hangen de lege lijsten nog steeds aan de muur.
  • Apotheker en koopman Abraham Francen werd rond 1653 een van Rembrandts beste vrienden. Ze deelden de liefde voor prentkunst. Rembrandt stelde Francen aan voogd als voogd van zijn dochter Cornelia.
  • De Amsterdamse koopman Lodewijk van Ludick woonde in de Warmoestraat. In 1644 kocht hij in de kunsthandel van Rembrandt een schilderij van Peter Paul Rubens voor 513 gulden. Van Ludick behoorde tot de kleine groep ware vrienden van Rembrandt.
  • In 1646 maakte Rembrandt postuum een portretets van de Amsterdamse predikant Johannes Sylvius, die hij zo lang had gekend. Hij portretteerde Sylvius met een vernuftig gesticulerende hand. De schaduw van de hand steekt over de rand van het ovaal, waarin Rembrandt de oude predikant tekende. Onder het portret schreef Casparus Barlaeus een lofdicht op Sylvius.
  • Een groot deel van de Rembrandt-grafiekcollectie in het Museum Boijmans van Beuningen is afkomstig van een schenking door Adriaan Jacob Domela Nieuwenhuis. Adriaan was de broer van socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis.
  • Carel Fabritius is vandaag de dag bij het grote publiek bekend van het kleine schilderij Het Puttertje. Fabritius was bij Rembrandt in de leer rond 1640. Hij maakte een krachtig zelfportret in Rembrandts stijl in 1645. Daarna liet hij deze schilderstijl varen.
  • Rembrandt huurde rond 1637 een pakhuis op de Bloemgracht om zijn leerlingen te kunnen huisvesten.
  • In de gevel van het huis aan de Rozengracht 184 is een gevelsteen gemetseld met de tekst: ‘Hier stond Rembrandts laatste woning 4.10.1669’.
  • Het schilderij De scheepsbouwer en zijn vrouw uit 1633 is een van de weinige man-vrouw portretten van Rembrandt op groot formaat. De scheepsbouwer werkt aan zijn bureau voor het raam, als zijn vrouw binnenkomt en hem een brief overhandigt. Haar binnenkomst brengt een kleine werkonderbreking teweeg, die het portret buitengewoon levendig maakt.
  • Het leven met jonge kinderen was een van de thema’s in de tekeningen en etsen van Rembrandt rond 1635. Kinderen die moeten huilen, geschrokken zijn of leren lopen: alle facetten van het opgroeiende kind komen aan bod. Zijn werkgever Hendrick Uylenburg had zes kinderen rondlopen, dus er was voldoende studiemateriaal voor Rembrandt.
  • Samuel van Hoogstraten uit Dordrecht was begin jaren 1640 in de leer bij Rembrandt. Als schilder heeft hij nooit grote faam gekend. Die kreeg hij later wel als auteur van ‘Inleyding tot de Hooge school der Schilder-Konst’ (1678).
  • Het portret dat Rembrandt van de vrouw van stadhouder Frederik Hendrik, Amalia van Solms, maakte, was bedoeld als pendant. Rembrandts portret van Amalia was echter zo ‘naar het leven’ geschilderd, dat Gerard Honthorst later werd gevraagd alsnog ‘een beeldig pendant’ van haar te schilderen ter vervanging. Gerard van Honthorst had eerder al ‘en profil’ een portret van de stadhouder vervaardigd.
  • ‘Het Rembrandthuis ‘ werd in 1606 opdracht van lakenbereider Hans van der Voort gebouwd, in wat toen het stadsuitbreidingsgebied was. Hij liet dit dubbele huis én het hoekpand bouwen.
  • De grandeur van de moderne 17e eeuwse architectuur ging aan Rembrandt voorbij. Hij trok er liever op uit en tekende en etste oude boerderijen in de landelijke omgeving buiten de stad.
  • Prentkunst is de verzamelnaam voor alle gedrukte afbeeldingen, zoals houtsneden, gravures en etsen.
  • In de 17e eeuw heeft het pand waar Rembrandt woonde op de Jodenbreestraat een paar gedaanteverwisselingen ondergaan. In 1628 kwam er een verdieping op het voorhuis en werd de trapgevel vervangen door een klassiek timpaan (geveldriehoek). Na 1658 is het huis nogmaals verbouwd en gesplitst.
  • Zowel mannen als vrouwen stonden naakt model voor Rembrandt en zijn leerlingen. Rondom 1646 maakte Rembrandt een serie tekeningen met mannelijke naakten, afgebeeld mét lendendoek.
  • Rembrandt combineerde in zijn etsen geregeld met verschillende technieken. Nadat een eerste afdruk van een ets was gemaakt, werkte hij vaak direct op de plaat verder aan de tekening met een droge naald – voor wollige lijnen – en/of met een burijn – voor lijnen die spits beginnen en eindigen.
  • Hoewel Rembrandt heel veel zelfportretten heeft gemaakt – zeker 50 stuks – kende hij zelf het woord niet. Zelfportret is een begrip uit de 19e
  • De Kloveniers op De Nachtwacht zijn vernoemd naar het wapen dat zij gebruikten, een klover.
  • De grootsheid van Rembrandt zit soms in één kleine verftoets. Een stipje witte verf op de juiste plek maakt het verschil. Zo’n glimlicht verandert een bruin vlak in een echt oog, dat je indringend aankijkt.
  • De Jodenbreestraat is tegenwoordig veel breder dan in Rembrandts tijd. Parallel aan het Sluyswachtershuisje op de Sint Antoniesluis was nog een straat, de zogeheten Joden Houttuinen. Aan de achterkant van deze huizen lag de Houtkopersburgwal.
  • De striemen van de knellende kousenband in de kuit van Suzanna op het schilderij Suzanna en de ouderlingen, is een goed voorbeeld van het alledaags realisme dat Rembrandt toepaste in een Bijbels scène, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
  • Zoals Rembrandt in Amsterdam furore maakte, deed Frans Hals dat in Haarlem. Beide schilders ontwikkelden op geheel eigen wijze een losse en grove schilderstijl, die trefzeker en onovertroffen is.
  • De Waag op de Nieuwmarkt was een ontmoetingsplek voor verschillende gilden, de beroepsverenigingen in Rembrandts tijd. Op deze plek kwamen zowel de gilden voor metselaars, smeden, chirurgijns als schilders en andere kunstenaars bijeen.
  • De gegoede burgerij beschikte over eigen vervoer. Zij gingen niet met trekschuit of te voet, maar verplaatsten zich per koets. Rembrandt maakte een tekening van zo’n ‘karos’ rond 1660.
  • Rembrandt heeft bij het circus in Amsterdam maar liefst twee van ‘de grote vijf’ diersoorten uit Afrika gezien. Behalve olifant Hansken, tekende Rembrandt ook een leeuw ‘naar het leven’. Thuis had Rembrandt in zijn kunstkamer een losse leeuwenhuid.
  • Er stonden in Rembrandts tijd 16 molens rondom de stad. Op een ets legde Rembrandt in 1641 de Kleine Stinkmolen vast. Deze molen maakte zeemleer, dat rook iedereen al van verre.
  • Tweemaal liet dokter Arnold Tholinx, de zwager van regent en vriend van Rembrandt Jan Six, zich in 1656 door Rembrandt portretteren. Een portretets, waarop Tholinx zakelijk in zijn werkkamer is afgebeeld en een geschilderd portret van informele aard. De ets kon Tholinx in brede kring verspreiden, het schilderij was alleen voor intimi te aanschouwen.
  • Rembrandt had zijn etspers op de Jodenbreestraat in een aparte kamer staan, niet in zijn atelierruimte. Dagelijks worden in Museum Het Rembrandthuis etsdemonstraties gegeven in deze kamer.
  • Opdrachtgevers, kopers en liefhebbers kwamen via het Voorhuys het pand binnen op de Jodenbreestraat. In de Sijdelkamer, de zijkamer, links van de hal werden zij ontvangen met een koud glas wijn. In deze kamer was ook een bedstee, zodat gasten van ver konden overnachten bij de kunstenaar.
  • Rembrandt maakte een klein dubbelportret van zichzelf met zijn vrouw Saskia in 1636. Deze ets had de functie van een visitekaartje. Er werden veel afdrukken gemaakt, zodat Rembrandt zijn kunsten breed kon tonen en delen.
  • In Rembrandts eigen prentenverzameling had hij werk van Lucas van Leyden, Hercules Seghers en Jan Lievens. Maar hij bezat ook papieren werken van Titiaan, Rafaël en Michaelangelo. Deze albums dienden als inspiratiebron voor hemzelf en zijn leerlingen, maar het was ook handelswaar.
  • In de Sael, Rembrandts woon- en slaapkamer op de Jodenbreestraat ,is nu tijdelijk Rembrandts portret van Petronella Buys uit 1635 te zien. Dit portret is recent (her)ontdekt en is een bruikleen van ‘The Leiden Collection’ van de Amerikaan Thomas Kaplan.
  • Op een van de vier luidklokken van de Zuiderkerk staat de inscriptie: Het onrust van den tyt rust nimmermeer. De tyt verkeert maer nimmer keert hy weer. F. Hemony Anno 1659. Hoewel er veel is veranderd, is deze boodschap vandaag de dag nog even waar als in Rembrandts tijd.
  • Rembrandt interesseerde zich in zijn Joodse buurtgenoten. Hij bezocht de synagoge en maakte ter plaatse tekeningen. De specifieke dracht, zoals het gebedskleed en hoofdtooien liet hij terug komen in Bijbelse taferelen.
  • Het portret Meisje aan het venster uit 1651 wordt gezien als overgangswerk van een fijne naar grovere schildertechniek. Mijmerend kijkt het meisje, leunend op een balustrade, je aan. Met een hand ondersteunt ze haar gezicht. Alle aandacht gaat uit naar haar gezicht, dat badend in het licht, afsteekt tegen de donkere achtergrond.
  • Bij het raam in het ‘Voorhuys’, de entree van Rembrandts woning op de Jodenbreestraat is een kleine verhoging. Vanaf een stoel op dit houten ‘soldertje’ kon je goed naar buiten kijken en precies in de gaten houden wat er op buiten gebeurde.
  • Rembrandt was behoorlijk honkvast. De actieradius beperkte zich over het algemeen van Ransdorp tot Ouderkerk aan de Amstel. Uitzondering daarop was een reisje naar Gelderland in 1644. De tekeningen van de middeleeuwse stadspoort getuigen hiervan.
  • De jas van Jan Six, de mantel van de vader van de verloren zoon, het dekentje over de wieg van Jezus, de jurk van de joodse bruid, de lippen van Maria Trip, de sjerp van Banninck Cocq, de wangen van de chirurgijns – Rembrandt toverde met de kleur rood; in alle mogelijke schakeringen, van karmijn tot vermiljoen.
  • Danaë wordt traditioneel afgebeeld met gouden regen. Want in die hoedanigheid bezocht en bezwangerde Zeus deze jonge schone, die door haar vader was opgesloten in haar kamer. Bij Rembrandts schildering ontbreekt dit sleutelelement, waardoor er lang is getwijfeld over de juiste mythologische of Bijbelse voorstelling.
  • Zo veelzijdig als het oeuvre van Rembrandt is, zo divers zijn ook de publicaties over de meester. Abraham Bredius, Frits Lugt, Bob Haak, Gary Schwartz, Ernst van de Wetering, Jan Six, Jeroen Giltaij en vele anderen: door de eeuwen heen belicht iedere auteur Rembrandt vanuit een eigen invalshoek. Over Rembrandt raakt men niet uitgeschreven.
  • Schrijver Jan Wolkers was groot liefhebber van Rembrandt. Als student hing hij in het holst van de nacht op 14 juli 1944 een lauwerkrans en een lofdicht aan de wand van Rembrandts geboortehuis in de Weddesteeg in Leiden. ‘Aan Rembrandt. Veel lauwerkransen zijn niet nodig. Voor redevoering is geen tijd. En achteraf, ’t is overbodig. Elk weet, dat Gij de Grootste zijt’.
  • Ontwerpers Maarten Kolk en Guus Kusters deden in 2016 onderzoek naar Rembrandts kleurgebruik aan de hand van een aantal werken. Voor de eerste editie van het Rembrandt Lab maakten zij onder meer een installatie van gekleurde keramiek en verschillende stoffen/weefsels. Een van die weefsels is geïnspireerd op het lijk van de anatomische les. In de stof komen alle kleuren van het lijk ‘tot leven’.
  • Rembrandt: ‘De ultieme schilder van het innerlijk wezen, van de gedachten van de mens’, aldus de Amerikaanse historicus Russell Shorto.
  • Rembrandt blijft tot de verbeelding spreken. In 2013 verscheen de graphic novel’ van Typex (tekenaar Lex Reitsma) over het leven van Rembrandt, waarin hij zijn beeld van de grote meester schetst.
  • Historicus Simon Schama schreef in 1999 de biografie ‘Rembrandt’s eyes’. Schama vergelijkt de levens van Rubens en Rembrandt – die als dag en nacht van elkaar verschillen.
  • Voor filmmaker Peter Greenaway is Rembrandt een grote bron van inspiratie. Van de licht-donker contrasten tot De Nachtwacht, als onderwerp van een visueel onderzoek, Greenaway benadert de onnavolgbare kunstenaar op geheel eigen wijze.
  • Rembrandt is van én voor iedereen. Van paraplu, poppenhuis, puzzel tot Playmobil – ieder huishouden kan tegenwoordig ‘een eigen Rembrandt’ bezitten.
  • Ook op social media is de oude meester trending. #Rembrandt is al meer dan 257.000 keer gebruikt.
  • Volgens de laatste telling uit 2014 zijn er in Nederland 203 mannen vernoemd naar Rembrandt.