![]() | Museum Het Rembrandthuis Jodenbreestraat 4 1011 NK Amsterdam T 020 520 0400 E museum@ museumrembrandthuis.nl PR/Marketing: press-office@museumrembrandthuis.nl |
Het Amsterdam van Rembrandt
De Waag
Het Waaggebouw was in de 15de eeuw een stadspoort. Nadat zij door gebiedsuitbreiding binnen de stad was komen te liggen, werd de poort verbouwd tot Waag. In de bovenverdieping werden enkele gilden gehuisvest, waaronder dat van de schilders. Voor het gilde van de chirurgijns schilderde Rembrandt twee keer een groepsportret in de vorm van een 'Anatomische les'.
Wie toetrad tot een gilde ontving twee penningen: een lidmaatschapspenning en een begrafenispenning. De eerste nam hij mee naar huis, de begrafenispenning werd bewaard in het Waaggebouw.
Wanneer een lid van het gilde was overleden, dan werden alle leden officieel op de hoogte gesteld door de 'gildeknecht' die iedereen afging. Daarbij overhandigde hij aan elk lid diens persoonlijke begrafenispenning. De penningen moesten weer worden ingeleverd bij de begrafenis van de overledene als bewijs van aanwezigheid en teken van medeleven.
Wanneer iemand niet persoonlijk aanwezig kon zijn, dan mocht zijn vrouw ook in zijn plaats komen. Maar op afwezigheid stond een boete (3 stuivers). Het werd gecontroleerd aan de hand van de weer ingeleverde penningen.
Het is heel bijzonder dat Rembrandts begrafenispenning nog bestaat. Dat zijn naam als 'Rembrant' wordt gespeld, hoeft niet te verbazen. Zelfs de schilder zelf spelde zijn naam niet altijd op dezelfde manier. Het 'Hermans' slaat op Rembrandt als zoon van vader Harmen, of Hermanus; Rembrandt noemde zich aanvankelijk vaak volledig: Rembrandt Harmenszoon van Rijn. De 'S' staat voor 'schilder'.
De drie lege wapenschilden op de achterzijde verwijzen naar de drie beroepen die oorspronkelijk in het gilde waren verenigd: naast de schilders waren dat de beeldhouwers en de 'glassnijders'. Boven de drie wapenschilden staat het jaartal 1634. Dat Rembrandt pas in 1634 lid van het gilde kon worden, kan te maken hebben met het feit dat je eerst minimaal een jaar moest zijn ingeschreven als poorter van de stad, voordat je werd toegelaten tot het gilde.
Johannes Uytenbogaert
Deze ets van Rembrandt stelt de predikant Johannes Uytenbogaert voor. Uytenbogaert was een van de leiders van de remonstranten-beweging. Tegenover deze gematigde religieuze beweging stonden de orthodoxe calvinisten, gesteund door prins Maurits. Er waren vervolgingen en Uytenbogaert moest naar Antwerpen vluchten. Maar toen Frederik Hendrik aan de macht was, kon hij terugkeren.
Dit portret is Rembrandts eerste officiële opdracht voor een geëtst portret. De prent was bedoeld voor een kleine kring van Uytenbogaerts vereerders en geloofsgenoten. De prent heeft een onderschrift: een gedicht in het Latijn van Hugo de Groot, waarin hij Uytenbogaert eert. Hugo de Groot was de belangrijkste politieke leider van de remonstrantse beweging en een vriend van Uytenbogaert. Twee jaar eerder had Rembrandt Uytenbogaerts portret geschilderd.
Schetsblad met studies van Saskia & etsplaat
Twee jaar nadat Rembrandt en Saskia getrouwdwaren, maakte Rembrandt deze ets. Het
is een zogenoemd 'schetsblad' met vijf portretstudies van Rembrandts vrouw Saskia en, linksboven, een portret van een oudere vrouw. De koppen en de kleding zijn uit zeer fijne lijntjes opgebouwd, die maar heel licht zijn geëtst. De ets heeft veel weg van studietekeningen die door Rembrandt met een pen zijn geschetst. Daarop zie je vaak een persoon meerdere malen, van verschillende kanten afgebeeld.
De koperen etsplaat waar deze prent van werd gedrukt, is nog helemaal gaaf. Dit in tegenstelling tot de meeste van Rembrandts overgebleven etsplaten, die vaak door latere uitgevers in de 18de en 19de eeuw werden 'opgewerkt' om slijtage bij het opnieuw afdrukken te verdoezelen. Dat ging niet altijd zo voorzichtig: vaak werden lijnen zomaar toegevoegd en soms werd zelfs de voorstelling veranderd. In 1916 werd deze plaat van een laklaag voorzien, zodat hij niet meer kon worden afgedrukt. In 1993 kon de plaat worden aangekocht door Museum Het Rembrandthuis.
Houtkopersgracht 25
Ephraïm Bueno
Op Vlooyenburg - nu Waterlooplein - woonden veel joodse families afkomstig van immigranten die uit Portugal of Spanje waren gevlucht. Aan de Houtkopersgracht, op nummer 25, woonde de Portugese arts Ephraïm Bueno.
Bueno (1599-1665) was een Portugees-joodse arts, dichter en vertaler in het Spaans. Hij was een van de geldschieters en opdrachtgevers van de drukkerij van Menasseh ben Israel. Menasseh woonde tegenover Rembrandt.
Eerst maakte Rembrandt een geschilderde voorstudie in olieverf van Bueno, afgebeeld tot aan zijn middel. Uitgaande van de geschilderde voorstudie maakte Rembrandt deze ets. De voorstelling breidde hij naar alle kanten uit. Bueno is tot kniehoogte weergegeven, met zijn hand steunend op een trapleuning. Hij draagt een cape die over zijn linkerschouder valt.
De Oude Kerk
De Oude Kerk ligt tegenwoordig middenin het 'red light district'. De geschiedenis van dit eerbiedwaardige gebouw gaat terug tot halverwege de 13de eeuw, toen Amsterdam een kleine nederzetting bij de dam in de Amstel was. Oorspronkelijk was het een katholieke kerk, gewijd aan Sint-Nicolaas. Toen na 1400 bij de Dam een tweede kerk werd gebouwd, kreeg de eerste de naam Oude Kerk. Na de Alteratie in 1578 werd de kerk door de hervormden gebruikt. Rembrandt en Saskia gingen in deze kerk in ondertrouw. In 1642 werd Saskia hier begraven, slechts 29 jaar oud. Twintig jaar later dwong Rembrandts financiële situatie hem ertoe Saskia's graf te verkopen. Op 30 0ktober 1654 werd Cornelia hier gedoopt, het dochtertje van Rembrandt en Hendrickje.
Zelfportret met Saskia
In dit dubbelportret uit 1636 heeft Rembrandt zichzelf afgebeeld terwijl hij zit te tekenen. De schaduwpartij over het gezicht is zo knap weergegeven dat zelfs daarbinnen variaties tussen zwart en grijs zijn te ontdekken. Op de achtergrond heeft hij Saskia geportretteerd, met wie hij twee jaar tevoren, op 22 juni 1634, in het Friese plaatsje Sint Anna Parochie was getrouwd. Op 10 juni van datzelfde jaar waren Rembrandt en Saskia in de Oude Kerk in ondertrouw gegaan.
Het stadhuis (Koninklijk Paleis) op de Dam
Het paleis werd in de 17de eeuw als stadhuis gebouwd. De eerste steen werd gelegd in 1648, het jaar waarin vrede met Spanje werd gesloten. De architect was Jacob van Campen. Voor het beeldhouwerk werd de Antwerpse meester Artus Quellien aangezocht. De meeste schilderingen in het interieur werden gemaakt door Ferdinand Bol en door Govert Flinck, allebei leerlingen van Rembrandt. Toen Flinck plotseling was gestorven, werd Rembrandt gevraagd een grote schildering te maken. Zijn schilderij, 'De samenzwering van Julius Civilis', werd niet positief ontvangen en Rembrandt haalde het weer weg. Rembrandt kreeg nog een keer te maken met het stadhuis, toen hij failliet was verklaard. Hier bevond zich namelijk het kantoor van de 'Desolate Boedelkamer', de instelling die faillissementen afhandelde.
Op 6 juli 1652 werd het oude stadhuis van Amsterdam getroffen door een hevige brand. Het middeleeuwse gebouw stond op de Dam, net voor de plek waar het nieuwe stadhuis zou verrijzen. De oorzaak van de brand is niet bekend. Het vuur sloeg zo snel om zich heen dat er weinig meer te redden was. Er bleef slechts een rokende ruïne over. De toren van het gebouw bleef nog wel overeind, maar dreigde al gauw in te zakken. Drie dagen na de brand, voordat de ruïne van het oude stadhuis werd afgebroken, heeft Rembrandt er een tekening van gemaakt. Hij stond naast de Waag, die tot 1808 op de Dam heeft gestaan. Hij schreef erbij: “vand waech afte sien stats huis van Amsterdam/ doent afgebrandt was/ den 9 Julij 1652/ Rembrandt van rijn.”
Op basis van de inboedelinventaris van Rembrandts bezittingen die in 1656 werd opgemaakt na zijn faillissement, zijn de kamers in Rembrandts vroegere woning gereconstrueerd en opnieuw ingericht met 17de-eeuwse meubelen en kunstwerken. De zogenoemde Kunst Caemer, waar Rembrandt zijn verzameling kostbare en zeldzame voorwerpen bewaarde, ziet er nu weer uit alsof Rembrandt er zo weer binnen zou kunnen stappen. Zulke voorwerpen als we op planken zien liggen, worden in de inventaris genoemd, zoals twee globes ('aardt clooten'), borstbeelden van Romeinse keizers en Griekse filosofen, een kastje voor munten en penningen, en allerlei exotische schelpen en koralen ('een groote quantiteijt hoorens, seegewassen').
Rembrandtplein 
Het tegenwoordige Rembrandtplein was in de 17de eeuw een zuivel- en pluimveemarkt en werd toen 'Botermarkt' genoemd. In 1852 werd aan de rand van het plein een standbeeld van Rembrandt geplaatst, vervaardigd door Louis Royer. Toen het beeld in 1876 naar het midden van het plein was verplaatst, werd het plein omgedoopt tot Rembrandtplein.
Viering van 300ste geboortedag
Rembrandt in 1906 In 1906 werd Rembrandts geboorte van driehonderd jaar geleden in Leiden en Amsterdam groots gevierd met tentoonstellingen, voorstellingen, (gekostumeerde) optochten, zelfs een bloemencorso en vuurwerk. Op 16 juli, een dag na Rembrandts verjaardag, was er in de Stadsschouwburg in Amsterdam een speciale feestavond met voordrachten van gedichten, toneelstukken en speciaal voor de gelegenheid gecomponeerde muziek. De componisten waren Alphons Diepenbrock, Bernard Zweers, Johan Wagenaar en Willem Mengelberg, de dirigent van het Concertgebouworkest. Mengelberg had muziek gecomponeerd bij negentien bijbelse etsen van Rembrandt. De eerste ets was 'Abraham onthaalt de drie hemelse bezoekers' (B 29) en de laatste ets was 'Het Sterfbed van Maria' (B 99). Zijn door Mahler beïnvloede compositie werd uitgevoerd, terwijl de twaalf etsen van glasdia's werden geprojecteerd op een groot wit doek, naar een idee van de schilder, schrijver en graficus Jan Veth.
In het feestjaar werd ook door de Gemeente Amsterdam het sterk verwaarloosde Rembrandthuis in de Jodenbreestraat aangekocht en overgedaan aan een speciale stichting die het pand liet restaureren door architect De Bazel. De grote motor achter deze reddingsactie was Jozef Israëls, de grote voorman van de Haagse School die zich in zijn eigen kunst sterk door Rembrandt geïnspireerd voelde.
Er werden bijeenkomsten gehouden en kransen gelegd bij Rembrandts standbeeld op het Rembrandtplein en in de Westerkerk waar Rembrandt ooit was begraven.
In het satirische krantje 'De Ware Jacob' van 14 juli 1906 (prijs: 15 cents) werd in versjes en prenten de spot gedreven met de vercommercialisering van Rembrandt ('Rembrandt tabak' en 'Rembrandt worst') en met hoge heren die zichzelf nu belangrijk maakten zonder dat ze ooit blijk hadden gegeven van enige liefde voor de kunst van Rembrandt. Onder een prent met zulke deftige heren die een krans leggen bij Rembrandts standbeeld, zijn de woorden toegevoegd die Rembrandt had kunnen denken: "Dit volk eert mij met de lippen, maar hunne harten zijn (gelukkig) verre van mij."
Hoek Marnixstraat – Passeerdersstraat
‘De kleine Stinkmolen’
Op de hoek van de Marnixstraat met de Passeerdersstraat is tegenwoordig het ouderenhuis Sint Bernardus gevestigd. In de 17de eeuw lag hier het bolwerk de Passeerder, later het bolwerk Osdorp genoemd. Het was een van de negentien fortificaties van de stadswal. Dit deel van de verdedigingsgordel van Amsterdam was in de jaren 1611-1613 gereed gekomen. Precies op deze plek stond een molen die Rembrandt twee keer heeft vastgelegd, in een tekening en in een ets. ‘De kleine Stinkmolen’ stond op de tegenwoordige hoek Marnixstraat-Nieuwe Passeerdersstraat. De molen was eigendom van het Zeemleerbereidersgilde en werd gebruikt om gelooid leer zachter te maken door het met levertraan te bewerken. De naam van de molen dankte hij waarschijnlijk aan de stank die hierbij vrijkwam. Bij dit type molen, een zogenoemde 'bovenkruier', kon de kap worden gedraaid met behulp van een 'staartbalk' en een 'kruirad'. Rembrandt - zelf een molenaarszoon - heeft de onderdelen herkenbaar afgebeeld. Nog in de 17de eeuw heeft iemand achterop deze prent een zinnetje geschreven waarin deze molen foutief wordt aangezien voor een molen die in het bezit was van Rembrandts grootvader.
Diemerdijk
De Breestraat, de straat waar Rembrandt zo lang heeft gewoond, kwam uit op de zeedijk die Amsterdam en Amstelland beschermde tegen het water van het IJ en de Zuiderzee. Deze dijk heette Sint Anthonisdijk. Omdat je over de dijk kon wandelen naar Diemen, werd de dijk ook wel Diemer Zeedijk genoemd, of kortweg Diemerdijk.
Rembrandt moet vaak over de Sint Anthonis- of Diemerdijk hebben gewandeld. Hij heeft er veel geschetst. Deze ets geeft de werkelijkheid in spiegelbeeld weer. We kijken de dijk af in oostelijke richting. Hier zien we rechts van de dijk de Zuiderzee en links de laag liggende boerenhofsteden. Het groepje bomen heeft Rembrandt op schilderachtige wijze weergegeven met veel aandacht voor schaduw en zonlicht. Op de voorgrond loopt een man die twee emmers draagt met een juk over zijn schouders. Naast hem huppelt een vrolijk hondje. Links op de achtergrond heeft Rembrandt in de tweede staat van de prent een paar gefantaseerde heuvels toegevoegd. Vond hij het echte landschap misschien niet bijzonder genoeg?
Montelbaanstoren
De toren aan de Oude Schans 2 werd in 1516 gebouwd als verdedigingstoren, maar deed in de 17de eeuw nog slechts dienst als magazijn. In 1606 werd het gebouw opgetuigd met een sierbekroning in renaissance-stijl, naar ontwerp van Hendrick de Keyser. In de toren kwam een uurwerk en enkele luidklokken. Vier jaar later begon de toren ernstig te verzakken en moest vervolgens met kabels worden rechtgetrokken. Bovendien werd de fundering, die oorspronkelijk bestond uit plaggen, versterkt met een bakstenen ring.
Vlakbij Rembrandts woning, ter hoogte het huidige huisnummer 33 op de Oudeschans, lag vroeger een brug. Vanaf die plek heeft hij deze tekening van de Montelbaanstoren gemaakt. Op de tekening zien we voor de toren het op palen gebouwde huis van de havenopzichter. Rembrandt heeft de houten torenspits niet getekend. De robuuste vorm van de oude toren vond hij blijkbaar mooier.
De Omval
‘De Omval’ was een stuk land gelegen aan een bocht in de rivier de Amstel. In Rembrandts tijd was dit een landelijk gebied waar veel Amsterdammers naartoe gingen voor een plezierig dagje uit. De Omval was oorspronkelijk een landtong tussen de in 1629 ingepolderde Watergraafsmeer en een uitstulping bij de bocht in de Amstel. Die uitstulping werd Windrak ('wint rack') genoemd. De Omval zelf werd genoemd naar een bouwval van een huis dat hier ooit stond.
Rembrandt laat ons een gezicht op de Omval zien. Op de Amsteldijk staat een man met een breedgerande hoed op zijn hoofd. Boven zijn schouder is de ingang zichtbaar van de ringvaart om de Watergraafsmeer. Daar staat ook een van de molens die het water uit de polder moesten wegmalen. Helemaal rechts is het donkere gat van een gemetselde doorlaat voor het opgepompte water zichtbaar. Zeilbootjes liggen aangemeerd in de buurt van wat huizen. Over de Amstel wordt een gezelschap geroeid in een tentschuitje. Maar de hoofdrol in de ets wordt gespeeld door een knoestige wilg. In de schaduw van de boom zit een paartje verscholen. De jongen zet het meisje een bloemenkrans op het hoofd.
Bij De Omval staat nu de hoogste toren van Amsterdam, de 'Rembrandtoren' genoemd. De toren staat naast het Amstelstation, en is 135 meter hoog en zowel overdag als 's nachts (met knipperlicht) van verre zichtbaar.